Één van de tragedies van Marcus Aurelius is dat hij, als filosoof-keizer, de pech had te heersen in een periode van voortdurende oorlogen. Historici zijn het er over eens dat hij als keizer én als mens veel beter tot z’n recht was gekomen in een tijd van vrede en stabiliteit. Maar dat was hem niet gegund. In plaats van voorspoed ontstond er de ernstigste crisis van de gehele 2e eeuw. Bij het begin van het jaar 167 was het onmiddellijk duidelijk. Dit jaar zou in het teken staan van de barbaar.

De term barbaar is ruim op te vatten. Oorspronkelijk overgenomen uit het Grieks (barbaros/oi) duidde het letterlijk op mensen wiens taal klonk als ‘barbarbar’ (volgens de Grieken klonk, behalve het Grieks, zo’n beetje iedere taal zo). De Romeinen gebruikten de term om volkeren aan te duiden die niet dezelfde levenswijze hadden als gebruikelijk was in het Middellands Zeegebied. Alles wat ten noorden lag van het Italisch schiereiland was barbaars. Alle volkeren die zich bevonden in het binnenland van Spanje, Noord-Afrika (behalve de Carthagers), de Balkan en Mesopotamië werden geschaard onder deze term. Het leverde een praktisch en overzichtelijk wereldbeeld op van beschaafd versus niet-beschaafd, waarbij de beschaafden altijd een reden voor oorlog hadden om de niet-beschaafden te ‘pacificeren’. De barbaren waren namelijk per definitie onbetrouwbaar, oorlogszuchtig en irrationeel. Je kon ze maar het beste preventief uitroeien.

Barbarofobie
De Romeinen hadden een waar trauma wat betreft barbaren. In de 4e eeuw voor Christus (zo’n 500 jaar vóór Marcus Aurelius) werd Rome belegerd door de Gallische leider Brennus, die met zijn hele volk al plunderend door het Italisch schiereiland trok. Voor de Romeinen was het een rampzalige belegering. Honger en dorst dwong hen er uiteindelijk toe om zich over te geven, waarna Brennus met een enorm geldbedrag werd afgekocht. Vanaf dit moment keken de Romeinen met argusogen naar het noorden, er zeker van zijnd dat er op ieder moment hordes barbaren vanaf de Alpen naar beneden zouden komen stormen. Veel van de latere expansie naar het noorden toe werd goedgepraat met het veiligheidsargument. Een argument dat soms hout sneed, maar vaak genoeg ambitieuze generaals en provinciale gouverneurs de kans bood om winstgevende expedities uit te voeren.

Geef me me mijn legioenen terug!
In de eeuwen die volgden waren er uiteraard incidenten, waarvan de meest ernstige in 9 na Christus. Drie Romeinse legioenen, onder leiding van generaal Varus, werden grondig in de pan gehakt door een door Germaanse volkeren listig opgezette hinderlaag in het Teutobergerwoud, tegenwoordig Duitsland. Van de toenmalige heersende keizer, Augustus, wordt beweerd dat hij zelfs jaren na dit verlies nog plotseling kon uitroepen: “Quinctilius Varus, geef me me mijn legioenen terug!” Maar dit incident was een inschattingsfout van de dienstdoende generaal. Wat er in 167 na Christus gebeurde had nog niemand eerder gezien…

De barbaarse alliantie
De Romeinen wisten dat ze konden vertrouwen op de onbetrouwbaarheid van de barbaren. De verschillende Germaanse volkeren lagen regelmatig met elkaar overhoop (soms vanwege Romeinse manipulaties, soms vanwege hun eigen onbeschaafdheid). Dat dit plotseling zou kunnen veranderen leek onwaarschijnlijk.

En toch werden er verspreid over Noord-Europa overal vergaderingen belegd, stamoudsten bij elkaar geroepen, krijgsheren opgezocht, koningen overtuigd. Het was tijd om samen te werken, om als een gezamenlijke macht op te trekken en de Romeinse limes, de grens die vanaf de monding van de Rijn in de Noordzee doorliep tot de monding van de Donau in de Zwarte Zee, op verschillende plaatsen aan te vallen, door te breken en een grootscheepse plundering op touw te zetten. Het was een alliantie zonder precedent, een Barbaarse Unie, de oprichting van de Verenigde Barbaren van Europa.

Het was in de winter van 167 dat nietsvermoedende Romeinse legionairs, wachtlopend op de transen van de verdedigingswerken van de limes, zich geconfronteerd zagen met legers bestaande uit krijgers van verschillende volkeren. Waarschuwingsvlammen werden ontstoken, ruiters op weg gestuurd om het nieuws naar Rome te brengen. De barbaren komen! Lokale legioenen hadden weinig moeite om met de indringers af te rekenen, maar al snel bleek dat deze aanvallen het doel hadden de aandacht af te leiden…

De druk op de grenzen was het grootst ten noorden van de Alpen, nabij het huidige Wenen. De Germaanse volkeren die hier een enorm leger op de been hadden gebracht waren de Marcomanni en de Quadi. De Romeinse grensposten stonden machteloos te kijken hoe dit mega-leger de Donau overstak. De Germanen namen de amberroute, de weg die de Romeinen langs de oostelijke uitlopers van de Alpen hadden aangelegd om amber uit Oost-Europa aan te voeren. Ze hoefden slechts de weg te volgen. En zoals dat gaat met Romeinse wegen, leiden ze allemaal naar Rome…

In mei 167 zag Marcus Aurelius zich geconfonteerd met de ernstigste crisis van zijn heerschappij.

-Wordt vervolgd-

Advertenties