Tags

, , ,

“From my grandfather Verus: decency and a mild temper.”

Kijkend naar de Romeinse tijd is het opvallend hoeveel teksten er zijn overgebleven: hele geschiedenisboeken over het ontstaan van Rome, de val van Carthago, de Perzische Oorlogen, de keizers van Rome; reisboeken over verre streken waar de meest bizarre monsters wonen, zoals enorme vogels die hun kop begraven in het zand (en bovendien tanden hebben en mensen eten); daarnaast zijn er de theaterstukken, tragedies, komedies, mythen; hele briefwisselingen zijn bewaard gebleven; propagandawerken (denk aan Julius Caesar met zijn versie van de Gallische Oorlogen, de memoires van Bush zijn er niets bij!); filosofische werken als die van Epictetus en Seneca; retorica voor dummies, en ik kan nog wel even zo doorgaan.

“From what they say and I remember of my natural father: integrity and manliness.”

Al deze werken hebben met elkaar gemeen dat ze voor een breed (of in het geval van de brieven, klein) publiek bestemd waren. Dat is waar het werk van Marcus Aurelius anders is. Marcus Aurelius schreef voor zichzelf. Een dagboek als het ware. Meditations (een titel die het boek overigens pas veel en veel later kreeg) bestaat eigenlijk uit korte aantekeningen. Het is een klassieke variant van de ‘note to self’. Het is een unieke zelfanalyse en zelfreflectie waarvan het nooit de bedoeling is geweest dat anderen het zouden lezen. Pas tientallen jaren na de dood van Marcus Aurelius, zelfs pas na de dood van zijn zoon Commodus, doken de aantekeningen op. Nog veel later werden ze gebundeld en kregen ze de titel ‘Tot hemzelf’, een stuk beter gekozen dan de nogal Boeddhistisch aanvoelende titel Mediations die het werk in de 19e eeuw kreeg.

“From my mother: piety, generosity, the avoidance of wrong-doing and even the thought of it; also simplicity of living, well clear of the habits of the rich.”

Meditations (laten we de algemeen gebruikte titel maar hanteren) biedt een inzicht in de geest van Marcus Aurelius. De schuingedrukte teksten hierboven zijn de eerste drie paragrafen van het eerste hoofdstuk. In dit hoofdstuk analyseert Marcus Aurelius zichzelf en kijkt hij welke eigenschappen hij van welke mensen in zijn omgeving heeft overgenomen; of, voor de wat meer cynische lezer, welke eigenschappen hij graag zou willen hebben.

Want wie was Marcus Aurelius eigenlijk?  Hij werd geboren op 26 april 121 na Chr. en stierf op 17 maart 180 na Chr. op 58 jarige leeftijd. Hij werd geadopteerd in de keizerlijke familie en hierna opgenomen als erfgenaam van de keizerlijke titel. De geschiedenis kent hem als één van de Goede Keizers van het Romeinse rijk.

Eerlijkheidshalve, de titel ‘Goede Keizer’ is nogal relatief. Het houdt voornamelijk in dat de keizer niet volledig gestoord was (gedeeltelijk is okay); daadwerkelijk enig idee had van de grootte van het rijk en hoe ingewikkeld het was om het correct te besturen; niet altijd (bijna altijd is uitstekend) met zijn eigen ego bezig was. Daarnaast betekent het ook helemaal niet dat deze ‘Goede Keizers’ op enige wijze goed zouden zijn te noemen in een modern perspectief. Oorlogskeizer Trajanus (53-117 na Chr.), een ‘Goede Keizer’ van de eerste orde, gaf de opdracht een drie maanden durende serie van gladiatorengevechten te houden, waarbij er naar schatting 11.000 doden vielen, de duizenden gedode wilde dieren niet meegerekend. Hadrianus (76-138 na Chr.), ook al zo’n ‘Goede Keizer’, consolideerde het rijk en liet overal prachtige gebouwen optrekken, die hij in veel gevallen ook zelf had ontworpen. Helaas raakte hij in de loop van zijn heerschappij gaandeweg steeds meer paranoïde, wat uiteindelijk leidde tot vele executies onder hooggeplaatste families.

Marcus Aurelius wordt gezien als ‘Goede Keizer’, maar het is duidelijk dat dat niet alles zegt.

Of zoals hij het zelf stelt:

“Everything we hear is an opinion, not a fact. Everything we see is a perspective, not the truth.”

Wordt vervolgd…

Advertenties